Tekst /// Loïs Blank Beeld /// Susanne de Visser
Ik zat in het midden van de ruimte. Overal om me heen waren spiegels: als in een funhouse kon ik de deur waardoor ik was binnengekomen niet meer zien. Mijn ogen waren aangenaam verdwaald en ik verroerde me amper. Ik zat gewikkeld in een wegwerpcape op een stoel. Hij, met wie ik eerder enkel door middel van beelden van Winona Ryder had gesproken, had mij met de grootste precisie in het plastic gehuld. Het had amper gekraakt. Nu bewoog hij om me heen. Woesj, klonk het. Hij bekeek me zorgvuldig van alle kanten. Mijn ogen zagen hem twee-, soms wel driemaal in de verschillende spiegelwanden. Steeds als hij zijn stil hield, gebeurde het. Zijn arm fladderde opzij en zijn hand wapperde na; het metalen voorwerp zwierde van aan zijn duim hangend omlaag met een cirkelbeweging in zijn handpalm. Fladder, wapper, woesj. Mijn ogen probeerden ieder voor zich een eigen leven te leven om de meervoudige aanwezigheid van de man te kunnen zien. Maar het voorwerp was al dicht bij mij gebracht. Tjiek, tjiek, tjiek, fladder, wapper, woesj. En weg was het. Mijn ogen konden het niet bijhouden, probeerden het in hun hoeken te zien, in zijn reflectie in een van de spiegels, in zijn gefladder. Fladder, wapper, woesj, tjiek tjiek tjiek, fladder wapper woesj. Het had iets vogue-achtigs: scherp, snel en elegant. Mijn ogen voelden alsof ze samen een kogeltje in een flipperkast vormden: hun focuspunt schoot heen en weer tussen de man in de spiegel, de man vlak naast mij en zijn hand. Oog voor mezelf in de spiegel had ik niet meer. De ogen waren op. Redelijk plotseling was daar een laatste dubbele fladder die mij in één beweging uit het plastic wikkelde. Ik zat te midden van kleine hoopjes haar en keek recht vooruit in de spiegel. Verrek, het lijkt sprekend op Winona. Ik manoeuvreerde tussen de spiegels door en verliet de kapper in Italië.
