In de kerstvakantie maakte ik met mijn vader en mijn broer een reis – of, nou ja, een tripje – naar Hongkong. Daar schrijf ik dan meteen wel even een Babel-stuk over, dacht ik vooraf, een beetje naïef. Maar toen ik eenmaal tussen de wolkenkrabbers stond, realiseerde ik me wat een onmogelijke opgave dat eigenlijk is. Hoe kan je in slechts enkele dagen een stad leren kennen? En hoe kan je die ervaring ooit op papier tot leven brengen?
Op onze derde dag in Hongkong, nadat we met de metro van markt naar museum naar park naar eiland zijn gesjeesd, nadat we bergen hebben beklommen en de zee hebben aangeraakt en zijn verdwaald in winkelcentra, staan we voor het eerst zonder concreet doel stil in een willekeurig steegje op Hongkong Island. We hebben een uurtje om stuk te slaan; we kunnen rondstruinen. We lopen langs bakkerijen met zoete broodjes, een winkel die gedroogde zeesterren in potten verkoopt, een marktje met werkelijk alles, van groenten tot kleding en oude elektronica. Mijn vader koopt cd’s in een ienieminie vintageboetiek waarvan iedere beschikbare centimeter – het hele winkeltje kan niet groter zijn dan negen vierkante meter – is benut om spullen uit te stallen. Mijn broer ontdekt een winkel met kookgerei waarvan je niet eens wist dat je het ooit nodig zou kunnen hebben. Tussen de flats vinden we een bruisende wereld van dagelijks leven, vol Hongkongers die hun boodschappen doen en praatjes maken met de mensen die ze tegenkomen. ‘Nu heb ik eigenlijk pas echt het idee dat ik in Hongkong ben,’ zegt mijn broer.
Het is onze laatste dag in de stad: over een paar uur moeten we alweer op het vliegveld staan om terug te vliegen naar Amsterdam. Ons verblijf in Hongkong was zo kort dat het straks, als we weer thuis zijn, een beetje als een koortsdroom zal voelen, alsof we er nooit zijn geweest. Het is voor mij niet de eerste keer dat ik zo’n flitsbezoek breng aan een verafgelegen stad. Doordat mijn vader bij de KLM werkt, krijgen mijn broer en ik soms de kans om met hem mee te gaan, waardoor we, alhoewel vaak in heel weinig tijd, heel bijzondere plekken hebben kunnen zien: New York in 24 uur, of Tokio in 48 uur. In Hongkong zijn we wat langer, ongeveer drie dagen. Het is nog steeds veel te kort.
Je beweegt je anders door een stad als de uren schaars zijn. Slenteren kan je je niet veroorloven, want dan zie je minder, en alle plekken die niet je bestemming zijn worden al snel een hindernis. Hongkong is een stad die de haastige reiziger uitstekend bedient: het is een stad waarin de maat op hoog tempo wordt geslagen. De metro is zo hyper-efficiënt dat er bijna altijd eentje klaarstaat als je de roltrap afkomt, en je op een volgende nooit meer dan twee minuten hoeft te wachten. Grote schermen op alle gebouwen laten een voortdurend roulerend palet van advertenties zien. Je hebt het gevoel altijd omringd te zijn door beweging, een cycloon van mensen en auto’s en beelden en licht.
Maar soms is er ook juist ruimte voor vertraging. Tijdens de rit vanaf het vliegveld naar het hotel, als we tollend van de jetlag tegen het raam van de bus leunen om onze eerste glimp van de stad op te vangen, laten de eerste echte indrukken lang op zich wachten. Het centrum van Hongkong is aanvankelijk niet te zien: het wordt verhuld door de bergen waar de stad op en tegenaan is gebouwd, de bergen waaronder de witte woontorens uit een 3D-printer lijken te komen, allemaal identiek en in keurige rijtjes. Zoveel groen had ik me helemaal niet voorgesteld bij Hongkong, in mijn hoofd vooral een stad van wolkenkrabbers en toeterend verkeer. Pas als je door een tunnel onder het water door rijdt, ben je midden in het Hongkong dat je verwacht had: de drukke wegen, de menigtes, de glazen gebouwen. Het is alsof de stad zich ontvouwt, alsof de gordijnen van het toneel langzaam geopend worden en het decor pas op het allerlaatste moment uit de coulissen tevoorschijn rolt.
Hongkong is een stad die uit vier verschillende steden lijkt te bestaan. Het is een stad waar allerlei landschappen elkaar afwisselen, waar je met een busrit vanuit het centrum binnen een uurtje op een eiland kan staan. In Kowloon, een grote wijk op het vasteland van Hongkong, raak je verdwaald in de metropool: de banken, de mensen in pakken, de grote ketens, de zebrapaden. Je hoeft echter maar een paar stappen te zetten om plotseling blauwgroen water te zien. De geur van uitlaatgassen en eten wordt ingeruild voor een zilte zeelucht, en plotseling herinner je je dat je in een havenstad bent. Bovendien bestaat Hongkong uit meer dan 200 eilanden – sommige zijn extreem toeristisch, op sommige vind je verstilde vissersdorpjes waar geen kip lijkt te zijn. Peng Chau, het eilandje dat we op onze eerste dag bezoeken, is zo klein dat je het in slechts een paar uur helemaal rond kan lopen.
In De onzichtbare steden (1972) schrijft Italiaanse auteur Italo Calvino dat ‘ieder mens in zijn hoofd een stad bij zich draagt die slechts bestaat uit verschillen, een stad zonder gestalten en zonder vorm, en de afzonderlijke steden vullen haar op’. Soms heb je al een beeld van een stad in je hoofd, een wazig concept, dat plotseling scherp wordt als je je fysiek in die stad bevindt. Ik had hiervoor nog niet echt een beeld van Hongkong: in mijn hoofd was het een vage verzameling van wolkenkrabbers en fel licht, samengesmolten met alle andere grote steden die ik kende uit films en foto’s. Er waren slechts enkele details, ingevuld door films als In the Mood for Love (2000, reg. Wong Kar-Wai) en Chungking Express (1994, reg. idem): de markt waar de politieagent het meisje uit de snackbar tegenkwam, de straten waar Su en Chow doorheen wandelen in het licht van de straatlantaarns.
Maar de meeste scènes uit In the Mood for Love werden helemaal niet gefilmd in Hongkong, maar in Bangkok, en Chungking Express is een film van meer dan dertig jaar geleden. In hoeverre lijkt wat ik op het grote doek zag nog op de stad van nu? Mijn broer weet te vertellen dat er in Hongkong nog originele neonverlichting is, iets wat de laatste decennia steeds meer wordt ingeruild door verblindend led-licht. Als je met toegeknepen ogen naar de neonborden kijkt, heb je het gevoel nog een beetje naar het oude Hongkong te kijken – of althans, hoe je je voorstelt dat het oude Hongkong eruitzag. Mijn vader vertelt dat de stad in de afgelopen jaren is veranderd. Er zijn veel minder westerlingen te zien, zegt hij – mogelijk door de groeiende rol van de centrale Chinese overheid in de stad en de toenemende beperkingen op democratische vrijheden.
Als toerist merk je daar echter weinig van: de meeste bezoekers fladderen vrolijk van trekpleister naar trekpleister. Een van de grootste attracties is Victoria Peak, of simpelweg The Peak, zoals de meeste mensen – een beetje gekscherend – zeggen. Het is een berg op Hong Kong Island die je met een veel te duur trammetje of een slingerende bus op kan gaan om te genieten van een panorama over de stad. De meeste bezoekers doen dat vanaf een gigantisch observatiedek, een wit gevaarte dat qua vorm doet denken aan een enorme fruitschaal op voeten. Je kan het gebouw al van veraf horen, door het geloei van de airco-units aan de zijkant en het gekwetter van de mensen die erop staan. Vanaf The Peak kijk je naar Hongkong zoals het op ansichtkaarten staat: knipperende lichten die weerspiegelen in de baai, een picture-perfect skyline.
Onze ervaring op The Peak is heel anders dan die van een dag eerder, toen we de Lantau Peak beklommen, de op een na hoogste berg van de stad. Het duurt ongeveer een uur om bij het beginpunt van het wandelpad te komen, in een bus die zo vol is gepropt met toeristen dat we slechts met een slakkengangetje de heuvel op komen. De motor sputtert en draait overuren, en ik begin te begrijpen waarom de chauffeur zo bloedchagrijnig is en tegen iedereen snauwt. Als we eenmaal aan de wandeling beginnen, bevinden we ons voortdurend in het gezelschap van andere wandelaars, soms in grote groepen – één keer horen we zelfs het karakteristieke gebliep van een walkietalkie die tot leven komt in de handen van een wandelgids. Mensen zijn bepakt en bezakt, uitgerust met petjes, wandelstokken en stevige schoenen, en zelfs van die rugzakken met een waterzak en een klein slurfje om tijdens het wandelen uit te drinken. Halverwege de wandeling moeten we in de rij staan voor een fotomoment op een uitstekende rots. Er heerst een joviale sfeer, met veel gelach en geklets, mensen die op de grond zitten om een voorverpakte lunch te eten.
Als je eenmaal bovenaan bent, hijgend en met benen die in brand staan van het klimmen, ben je in de eerste plaats misschien teleurgesteld – vanaf de op een na hoogste berg van Hongkong kun je Hongkong helemaal niet zien liggen. De brug naar het stadscentrum verdwijnt achter een heuvel, en de enige gebouwen die je ziet zijn die aan de randen van de stad, een wit Madurodam van woontorens. Hongkong voelt plotseling heel ver weg. Je staat met tientallen mensen op de piek, maar toch is het er stil – je bent omringd door zoveel lucht en leegte dat alle stemmen klinken alsof ze je door een laagje dons bereiken. Het heeft iets heiligs om zo hoog te staan, zo ver verwijderd van de rest van de wereld. Je kijkt uit over de bergen, over gelig gras, over het slingerende rotspad dat je zojuist hebt bedwongen. Dat kleine stukje aarde, met een betonnen blok waarop de hoogte staat aangegeven – 934 meter – en een klein schuildak voor noodweer, staat me even scherp voor de geest als de overdaad aan indrukken in de stad.
In De onzichtbare steden schrijft Calvino dat je ‘nooit een stad mag verwarren met de woorden die haar beschrijven’. Het punt van De onzichtbare steden is alleen dat de steden die Calvino beschrijft helemaal niet bestaan. Zijn vignetten springen in enkele honderden woorden van de pagina – de mensen, de kleuren, de geluiden –, maar de plekken die ze beschrijven kan je nooit bezoeken. Is Hongkong, een stad waarbij dat wél mogelijk is, dan juist makkelijker om te beschrijven? Ik hoef immers niets te verzinnen; ik heb ervaringen en observaties waaruit ik kan putten. Maar precies daardoor, door de talloze dingen die je ziet, hoort, ruikt, en proeft, voelt het ook onmogelijk om Hongkong in woorden te vatten. Een echte stad bestaat niet uit vignetten.
Toch zijn vignetten, achteraf bezien, vaak alles wat je hebt. Want de ervaring van een plek zit in zoveel kleine dingen, die je soms niet eens opmerkt. Het is de manier waarop het licht valt, of juist niet – op sommige plekken is het ledlicht van alle schermen zo fel dat ik zonder de lucht te zien niet weet of het al avond is. Het zijn de geluiden, het liedje dat in de supermarkt bij ons hotel on repeat speelt, iets vaag kerstigs met veel bellen, dat ik ondanks het gebrek aan tekst dagen later nog in mijn hoofd heb. Het zijn de geuren, de specifieke geur die mijn broer en ik de hele tijd ruiken – iets zoutigs, iets gefrituurds –, zonder er ooit achter te komen wat het precies is. De geur duikt op de raarste plekken op: in een straat net buiten een metrostation, in een winkelcentrum, op een bananenplantage. Ik kan hem nu ook niet meer oproepen. Net als de andere details blijft hij in Hongkong.
Mijn vermogen om Hongkong te beschrijven is beperkt: er zijn eindeloos veel woorden nodig om ieder detail van deze grote stad te benoemen, om op papier te vangen hoe het voelt om je drie dagen lang onder te dompelen in een plek aan de andere kant van de wereld. En dus zullen, net als bij Calvino, de vignetten moeten volstaan. De bananenplantages op Peng Chau waar mensen al hun creativiteit en middelen hebben gebruikt om regenwater op te vangen – emmers, afwasteiltjes, oude prullenbakken. De mannen die op een grijs strandje een vissersboot uit het water trekken en ons hele verhalen weten te vertellen, ook al kunnen we ze niet verstaan. De lift die in een winkelcentrum van verdieping 7, naar 9, naar 4, naar 2, weer naar 7 en weer terug naar 4 gaat, zonder ooit bij ons – verdieping 3 – te stoppen. De grijze muren van de flatgebouwen, met een identieke airco onder identiek raampje, waar ik nooit iemand achter zie zitten. De was die ik ‘s ochtends vanuit ons hotel zie wapperen, en die ‘s avonds weer binnen is gehaald. Het pleintje in Kowloon Park waar vier langharige straatkatten in de zon liggen te soezen. Drie sinaasappelen in een rood plastic zakje op een betonnen graf.
Ik heb de details verzameld, als puzzelstukjes om later, nu ik weer thuis ben, in elkaar te leggen. Het plaatje dat ze maken is niet compleet. In drie dagen kan je een stad niet leren kennen. Maar in ieder vignet, in iedere herinnering, zit voor mij een klein stukje Hongkong.
Tekst Jiske Benedictus, beeld Jelte Benedictus
