‘Te veel compassie voor de schrijver is gewoon niet de taak van de lezer’

Tekst door Sybren Sybesma, beeld door Eeva kriek

Literatuurcritici worden soms aanbeden, soms met de nek aangekeken. Ze vormen een belangrijk onderdeel van de boekenwereld: met hun artikelen laten ze zien wat voor interessant literair werk er nu in de boekhandel ligt. Hierover sprak ik criticus Charlotte Remarque. Een gesprek over literatuur, lezen en recenseren.

Charlotte Remarque schrijft voor het weekblad De Groene Amsterdammer, waar ze met collega-criticus Marja Pruis verantwoordelijk is voor het boekenkatern ‘Dichters & Denkers’. Daarnaast maakt ze samen met Joost de Vries, Ellen Deckwitz en Pruis de boekenpodcast BoekenFM.

Hoe ben je bij De Groene Amsterdammer verzeild geraakt?

‘Ik had ooit een podcast waar niemand naar luisterde. Die heette Red de Millennial. Het idee was dat de podcast een soort maatschappijkritisch tijdsbeeld was waarin we het hadden over de culturele bewegingsruimte van de millennial, zoals hun sportklasjes en wat ze aten. Dat wordt nu heel veel gedaan. We hadden heel weinig luisteraars. Toch had Marja Pruis een aflevering van die podcast gehoord die ze erg leuk vond. Daarop had ze mij gevraagd of ik misschien een keertje iets wilde schrijven voor De Groene. Ik heb toen een recensie voor ze geschreven, en die was niet goed. Ik mocht op kantoor komen en daar gingen ze – zij en Joost de Vries, toen nog – uitleggen wat het verschil was tussen een recensie en een literaire kritiek. Want in de dagbladen doen ze aan recensies, en bij De Groene doen we aan literaire kritiek. Over dat verschil werd heel belangrijk gedaan. Ik heb vijf pagina’s van een schrift volgeschreven tijdens die uitleg, al begrijp ik nog steeds niet precies wat ze bedoelden. Die eerste recensie is nooit verschenen, maar ik mocht het blijven proberen. Zo ben ik daar blijven hangen. Ik schrijf nu al jaren als freelance-criticus voor ze. Een paar maanden geleden ging Joost de Vries weg [hij werkt nu als chef Boeken bij de Volkskrant, red.] en toen kwam er een plek vrij en heb ik gesolliciteerd en mocht ik blijven.’

En hoe zou je nu zelf het verschil tussen wat De Groene doet en wat de dagbladen doen uitleggen? 

‘Ik heb het idee dat boeken in de weekendbijlagen van zo’n dagblad vaak beschreven worden als een commercieel product dat je wel of niet wilt kopen. Ik ben nu wel heel kritisch op mijn conculega’s, maar soms lijken ze wel een soort consumentengids te zijn: dit leest lekker weg, dit kun je lekker meenemen op vakantie. Wij hebben bij De Groene – omdat we een vrij specifiek publiek hebben – de vrijheid om een iets uitgezoomdere visie op literatuur te hebben, waarbij we het iets essayistischer mogen benaderen. De boeken die we bespreken mogen onleesbaar zijn en de stukken mogen ook onleesbaar zijn. Dat zijn ze liever niet, maar we hebben wel die vrijheid. Het mag allemaal net iets raarder zijn. Nu is dat niet letterlijk het verschil tussen een recensie en een literaire kritiek, maar het is wel de vrijheid die ik me mag permitteren bij De Groene.’

Wat is de functie van een recensie?

‘Ik denk dat kunst bestaat bij gratie van het gesprek over kunst. Soms wordt er over critici gezegd: zij hebben de makkelijkere baan. Zij zijn geen makers, maar kapotmakers, en bovendien hoeven ze weinig van zichzelf bloot te geven. Dat ben ik met de mensen die dat zeggen eens. Dat neemt niet weg dat critici een belangrijk onderdeel van het literaire ecosysteem zijn. Alleen al het feit dat iemand de tijd neemt om aandachtig naar een tekst te kijken en te beoordelen of dit nu wel of niet waardevolle literatuur is, tilt het boek – of het nu goed of slecht besproken wordt – op. Dat maakt het namelijk een studieobject. Een boek dat geen studieobject is, is gewoon een commercieel product dat je koopt en dat je wel of niet lekker vindt. Ik vind de waarde van kritiek net zo belangrijk als de waarde van kunst.’

Zou je dan ook zeggen dat literatuurkritiek een kunstvorm is?

‘Zeker. Het is wel een hele specifieke kunstvorm. Het is misschien doelgerichtere kunst dan bijvoorbeeld een schilderij of een roman. Misschien is het meer kunst zoals een tapijt dat is. Het moet ergens toe dienen, maar dat betekent niet dat het niet mooi is. Het kan heel mooi zijn.

Je moet je natuurlijk niet laten verblinden door kritiek. Op het moment dat je als lezer van kritiek niet meer je eigen mening kunt vormen over kunst omdat je te veel kritiek tot je hebt genomen, moet je misschien even afkicken. Maar ik zie ook voor de intelligente lezer kritiek als een punt waar hij of zij zich tegen kan afzetten. Dus je leest in de krant: “Dit boek is onleesbaar slecht” en je wordt nieuwsgierig, je leest het en je denkt: ik vind het een prachtig boek. De woorden van de criticus kun je dan gebruiken om je eigen mening over het werk te slijpen: wat de criticus sentimenteel en zijig vindt, vind ik juist heel menselijk en zacht en mooi. Het lezen van kritiek geeft je ook de taal om zelf een mening te kunnen vormen over kunst. Hoe meer kritiek je leest, hoe beter je je eigen mening over kunst kunt identificeren en verwoorden.’

In hoeverre is je relatie met lezen veranderd nu je dit als beroep hebt? 

‘Wel heel erg. Mensen zeggen altijd tegen mij: “Oh, je hebt van je passie je beroep gemaakt.” Ik zie het niet helemaal zo. Je hebt echt twee verschillende vormen van lezen. In mijn hoofd vergelijk ik het soms met prostitutie, in die zin dat ik denk dat sekswerkers ook in hun vrije tijd seks hebben met mensen op wie ze verliefd zijn, en dat is heel anders dan wat ze voor hun werk doen. Zo lees ik ook in mijn vrije tijd en dan lees ik heel anders dan wanneer ik werk. Wanneer ik werk, moet ik heel snel lezen. Als ik een recensie schrijf, dan heb ik het boek nog heel helder in mijn hoofd zitten en een dag later eigenlijk al niet meer, omdat ik gewoon ruimte moet maken. En als ik voor mijn plezier lees, moet ik de hele tijd tegen mezelf zeggen: “Je hoeft hier geen mening over te hebben, en je mag langzamer.” Ik ben net een paar dagen op vakantie geweest en toen heb ik mezelf toegestaan om in een normaal tempo iets te lezen. Maar dat is dan wel echt de hele tijd handmatig op de rem trappen. En het is dan ook een bevrijding om niet een mening te hoeven hebben. Ik had voor het eerst in tijden – omdat ik al lang geen vrij had genomen – dat ik een boek uitgelezen had en dat ik dacht: dit is gewoon een hele fijne schrijfster, ik wil nog iets van haar lezen.’

En hoe gaat dat recenseren, heb je maatstaven? Of is het meeste fingerspitzengefühl?

‘“Heb je maatstaven?” is een grappige vraag om aan een criticus te stellen, want “uiteraard”. Maar de vraag is vooral of je ze kunt uitleggen.’

Doe een poging.

‘Ik heb een persoonlijke allergie voor zwaarte. Ik denk dat zelfs als een boek een zwaar onderwerp heeft, of een zware boodschap, er dan lichtheid, schrijflust, levenslust, beweging in kan zitten. Ik wil niet letterlijk zeggen “humor”, maar dat bedoel ik eigenlijk wel. Humor heeft veel vormen. Iets hoeft helemaal niet vol met grappen te zitten om toch een gevoel voor de absurditeit van het bestaan in zich te hebben. Ook in verstildere, ernstigere romans heb ik het gevoel dat ik altijd kan voelen of de schrijver een gevoel voor humor heeft of niet. Dat is mijn belangrijkste maatstaf.

Ik ben nooit zo van de mooie zinnen. Dat is echt zo’n ding van critici. Die onthouden hele specifieke zinnen: mooie beginzin, mooie eindzin. Daar heb ik helemaal geen geheugen voor. Het gaat mij meer om ritme. Moet ik ploegen door een tekst of kan ik rolschaatsen over een tekst.

Ik kwam vandaag [bij de opname van de podcastaflevering over Joe Speedboot, red.] achter een nieuwe maatstaf: ben ik daar aanwezig? Dat vond ik verrassend goed aan Joe Speedboot. De verteller zie je niet voor je als zittend achter het bureau van de schrijver. De verteller is helemaal aanwezig in het verhaal. Het tempo waarop de indrukken binnenkomen bij de verteller is het tempo waarop de indrukken binnenkomen bij de lezer. Het is een cliché om te zeggen “je stapt een wereld in”, maar: je stapt een wereld in.’

Zijn er ook boeken die je zou recenseren, maar die je na lezing onbesproken hebt gelaten, omdat je het bijvoorbeeld sneu vond? 

‘Ja, maar die leg ik dan ook wel na twee hoofdstukken weg. Ik heb best veel dingen opzij gelegd omdat ik dacht: Ik help helemaal niemand met het bespreken van dit boek, want het is een schrijver die er waarschijnlijk niet gaat komen. Wat zou ik dan nu daar een zuur stuk over gaan schrijven in De Groene?’

Verder schrijf je er altijd over als je een boek uit hebt gelezen?

‘Ja, zeker. Ik vind ook dat je een schrijver niet serieus neemt als je heel mild of welwillend gaat lezen. Je moet in die zin welwillendheid hebben dat je probeert te herkennen wat het boek wil of wat de schrijver probeert. Maar ik denk ook: als je als schrijver met een boek komt, dan betreed je een arena, en je moet als criticus met dezelfde energie dat boek tegemoet treden als waarmee het geschreven is. Het is niet zo dat degene die het boek heeft geschreven iets heel dappers heeft gedaan en dat je daar heel eerbiedig over moet zijn. De schrijver en ik zijn gelijkwaardig met elkaar in strijd, denk ik altijd. Maar daar denken schrijvers niet altijd hetzelfde over.’

Heb je dan wel eens kritiek gehad? Of krijg je altijd kritiek?

‘Nee niet altijd, lang niet altijd. Veel mensen zijn ook hartstikke blij dat ze überhaupt besproken worden, want zo groot zijn de boekenbijlages niet meer. Ik heb wel een paar keer onprettige gesprekken gehad met mensen die zeiden: “Je hebt mijn carrière in de kiem gesmoord.” 

Het blijft natuurlijk pijnlijk dat ik twee dagen doe over het bespreken van iets dat iemand twee jaar lang heeft zitten bouwen. Maar daar moet ik niet te veel over nadenken, want dan doe ik het niet meer. Te veel compassie voor de schrijver is gewoon niet de taak van de lezer.’

Zou je een boek van een vriend of collega recenseren?

‘Nee, dat mag niet.’

Waar liggen de scheidslijnen?

‘Dat is ingewikkeld. Ik zou zeggen: niemand die ik in mijn vrije tijd zie zou ik bespreken. Wel mensen die ik in het voorbijgaan tegenkom, maar niet iemand met wie ik koffie ga drinken.’

Ben je bang dat het de vriendschap schaadt of dat het het stuk schaadt?

‘Goede vraag. Ik denk dat die vriendschap wel te redden valt. Maar je integriteit als criticus is kwetsbaarder. Ik zat een keer in een panel over literaire kritiek met een oude, belangrijke recensent. Hij kreeg ook deze vraag en ging toen achterover zitten en zei: “Vroeger zat ik de hele avond in Café de Zwart met die grote schrijver en die grote schrijver en ik dronk met ze en ik knokte met ze en de volgende ochtend schreef ik gewoon een recensie en het beïnvloedde elkaar helemaal niet, want ik ben zó integer en ik ben zó neutraal dat ik dat van elkaar kon scheiden.” Toen dacht ik: Dat is gewoon niet waar. Dat kan niet waar zijn. Bij iemand met wie ik in bed lig of bij iemand met wie ik bevriend ben, ga ik toch milder kijken naar die tekst. Dan denk ik: ach, die lieverd, z’n vader is dood, dus daarom zal ik wat minder streng zijn. Of je denkt: die lieve vriendin, ik gun het haar ook wel. Dat zou ik nooit willen. Dus ik ben vooral bang dat het het stuk schaadt.’

Laatste vraag: wat doe je met alle recensie-exemplaren?

(Lachend) ‘Die hopen zich op in het huis van mijn hospita. Je weet maar nooit wanneer je ze weer nodig hebt.’

Aangezien dit een zomernummer is en de zomer bij uitstek de periode is om weer eens de boekenkast in te duiken, vroeg ik Remarque om enkele zomerse boekentips.

1. ‘De Engelandvaarders en de mensen die in Nederland blijven, zou ik het werk van Tessa Hadley aanraden. Dat heb ik net helemaal ontdekt. Het speelt zich allemaal af in Londen en omstreken, dus het regent heel veel. Ik vind haar een briljante schrijfster. Het is een beetje Ian McEwan, maar dan minder hysterisch.’ 

2. ‘Voor de mensen die normaal niet lezen en nu eens op vakantie iets willen lezen: Joe Speedboot van Tommy Wieringa. Dat is mijn grote ontdekking van dit jaar. Ik heb me mijn hele leven verzet tegen Joe Speedboot, maar ik vind het een briljante roman.’ 

3. ‘Nog eentje voor de koude landen: Vilhelms kamer van Tove Ditlevsen. Ik vond het echt geweldig.’ 

Plaats een reactie