‘Squeeze me baby, ‘till the juice runs down my leg’ zingt Robert Plant raspend in The Lemon Song, als eerbetoon aan Robert Johnson: The King of the Delta Blues Singers. Niet alleen Plant, ook Eric Clapton, Bob Dylan en vele andere artiesten zouden zonder deze legendarische bluesartiest anders hebben geklonken. No Robert Johnson, no rock and roll. Buiten drie foto’s, negenentwintig opnames en geruchten over een deal met de duivel is er weinig bekend over Johnson. Wie was deze legende?
Robert Leroy Johnson is in 1911 – slechts één generatie na de afschaffing van de slavernij – geboren in Hazlehurst, Mississipi. Als kind verhuist Johnson van hot naar her en belandt uiteindelijk bij de Abbey and Leatherman plantage, met zijn moeder en haar nieuwe man. Johnson heeft het hier niet naar zijn zin en verafschuwt het vooruitzicht van een leven lang werken op de plantage. Hij wil meer zijn dan slechts een veldwerker. In plaats van zwoegen onder de hete zon, speelt Johnson harmonica en gitaar, waarbij hij liedjes zingt die voortkomen uit wrok over zijn onderdrukking. Johnson is hierin niet uniek: meerdere veldwerkers spelen the blues. Waar dit muziekgenre precies vandaan komt is niet volledig bekend, maar zeker is dat field hollers een grote rol speelden in het ontstaan van deze muziek. Veldslaven zongen tijdens het ploeteren deze werkliederen, om zo het zware werk draaglijker te maken. Via luide, muzikale kreten communiceerden de veldslaven met elkaar, uitten ze hun gevoelens, of beledigden ze op subtiele wijze de witte werkbegeleiders. Het zingen diende als een uitlaatklep. Deze liederen worden gezien als de voorloper van de vraag-en-antwoord-muziektechniek die kenmerkend is voor the blues.
The blues is volgens hen – en volgens vele anderen destijds – de muziek van de duivel
In 1929 trouwt Johnson met de zestienjarige Virginia Travis, die niet veel later zwanger raakt. Een gezin brengt verantwoordelijkheid met zich mee: er moet brood op de plank verdiend worden. Johnson besluit daarom – ondanks zijn dedain voor veldwerk – toch te gaan werken op de plantage. Dit duurt echter niet lang, aangezien Travis en haar baby overlijden bij de bevalling. Steun van zijn schoonfamilie kan Johnson niet verwachten. Zij wijzen hem als schuldige aan van deze tragedie. The blues is volgens hen – en volgens vele anderen destijds – de muziek van de duivel. Johnson zou dit te veel hebben gespeeld. Hij had beter moeten weten.
Op de plantage viel weinig geld te verdienen met het spelen van muziek; muzikanten trokken daarom van stad naar stad. Ook Johnson doet dit. In verschillende steden speelt hij – net als zijn medebluesmuzikanten – op straathoeken en in juke joints (informele plekken waar donkere mensen samen konden feesten). Maar Johnson heeft daar weinig succes. Niet gek, aangezien hij het niveau van een beginnende gitarist heeft. Zo wordt hij in Robinsonville snel van het podium gestuurd als hij mee probeert te spelen met de plaatselijke grootheid Son House, omdat zijn gitaarspel niet om aan te horen is. ‘Why don’t some of y’all go down and make that boy put that thing down, he running us crazy!’ zeggen mensen in het publiek. Johnson verlaat kort daarna Robinsonville en laat lange tijd niets van zich horen. Ongeveer anderhalf jaar later duikt hij weer op in een juke joint waar Son House en Willie Brown spelen. Son House herkent Johnson en wil hem in eerste instantie niet laten spelen, maar geeft hem – op aandringen van Johnson – toch een kans. Johnson pakt zijn gitaar en begint te spelen. Het publiek kan zijn oren niet geloven, niemand heeft ooit zoiets gehoord. Het is net alsof er twee gitaren tegelijk aan het spelen zijn! Hoe kan Johnson, na anderhalf jaar van een beroerde gitarist, in een groot talent transformeren? Onverklaarbaar! Er moeten haast wel grotere krachten in het spel zijn.
De legende vertelt dan ook dat Johnson voor zijn tweede ontmoeting met Son House rond middernacht naar de crossroads ging om daar de duivel te ontmoeten. Johnson gaf de duivel zijn gitaar en liet deze door hem stemmen. De sjofele gitarist kon deze bovennatuurlijke gitaar alleen terugkrijgen, als hij zijn ziel – net als de legende Faust dat deed in ruil voor onbeperkte kennis – aan de duivel zou verkopen. Johnson strekte bevend zijn handen uit en nam de gitaar aan. Zo werd hij tegen een hoge prijs een bovennatuurlijk goede bluesartiest. Sterker nog, hij pionierde in het spelen van de boogie shuffle op de gitaar, die doorgaans enkel op de piano werd gespeeld. Dit is een repetitief, ritmisch, swingend patroon, dat ook wel bekend staat als de boogie bass pattern. Deze ken je ongetwijfeld van bekende boogie woogie nummers (zo niet, speel nu snel Great Balls of Fire of Whole Lotta Shakin’ Going On van Jerry Lee Lewis af!).
De meeste mensen houden het waarschijnlijk liever voor zichzelf als ze een pact met de duivel sluiten, Johnson daarentegen schreeuwt het als het ware van de daken. In bekende nummers als Cross Road Blues en Me and the Devil Blues zingt hij duidelijk over zijn band met de duivel: ‘Me and the Devil, was walkin’ side by side’. Johnson zet de mythe naar zijn hand en houdt deze in leven voor zijn eigen gewin (of hij is ontzettend slecht in geheimen bewaren).
Maar er gaat ook een ander – iets realistischer – verhaal de ronde. Johnson zou Robinsonville hebben verlaten om tevergeefs zijn biologische vader in Martinsville te zoeken. In plaats daarvan ontmoette hij bluesartiest Ike Zimmerman, die Johnson omtoverde van een beginnende gitarist naar een sterspeler. Maar ook dit verhaal ontkomt niet aan mythes of geruchten. De legende vertelt dat Zimmerman rond middernacht met zijn gitaar een kille begraafplaats bezocht, om daar op bovennatuurlijke wijze the blues te leren spelen. Johnson zou – hoe kan het ook anders – op dezelfde begraafplaats gitaarles van Zimmerman gekregen hebben. Het is alsof de bewonderaars van Johnsons gitaarspel niet kunnen of willen geloven dat hij, puur door anderhalf jaar lang veel te oefenen, een meester op de gitaar is geworden. Daarbij helpt de slechte documentatie en gebrek aan kennis over Johnsons leven niet mee.
Wanneer je je ziel aan de duivel verkoopt, blijft deze duivel je heel het leven achtervolgen. Johnson is hier geen uitzondering op. Op zoek naar liefde papt hij aan met meerdere vrouwen, maar dit eindigt steeds weer in teleurstelling. Johnson krijgt met één van de vele dames een kind, maar tot een ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’ komt het nooit. De familie van de moeder vreest dat Johnson het kind gaat beïnvloeden met duivelse krachten, en verbiedt hem om contact met zijn zoon te hebben. Na deze tragedie raakt Johnson overtuigd dat het gezinsleven niet voor hem is weggelegd. Hij stort zich in een leven vol drank en vrouwen. Iets wat hem later fataal wordt. Zijn muziek is een spiegel van zijn tragische leven: ‘Well, it’s hard to tell, it’s hard to tell, when all your love’s in vain. All my love’s in vain.’ En in Hellhound On My Trail zingt Johnson: ‘I got to keep on movin’, keep on movin’’. Niet iedereen is het erover eens, maar experts denken dat deze teksten verwijzen naar de angst voor racistische lynchpartijen. In Mississippi lag het gevaar voor mensen van kleur destijds overal op de loer, Johnsons stiefvader moest hierdoor zelfs op de vlucht.
In feite lijkt heel Johnsons leven een mythe. Ook over zijn vroege dood gaan verschillende verhalen de ronde. Sommigen menen dat hij is overleden aan syfilis, anderen denken dat hij aan zijn einde kwam door het syndroom van Marfan. Maar deze doodsoorzaken passen niet bij de legendarische status van Johnson, en het volgende verhaal spreekt meer tot de verbeelding: Johnson was succesvol, kreeg veel aandacht van vrouwen en was niet vies van whisky. Op een avond had hij een getrouwde vrouw op het oog, en begon met haar te flirten. Bluesartiest Honeyboy Edwards (en andere lokale bronnen) menen dat deze mooie vrouw getrouwd was met de eigenaar van de tent. Deze echtgenoot was het flirten van Johnson met zijn vrouw spuugzat. Jaloezie overmande de beste man en hij serveerde Johnson een glas whisky met gif erin. De volgende avond voelde de bluesartiest zich ziek en stopte hij met spelen. In de daaropvolgende drie dagen werd zijn toestand steeds ernstiger en schreeuwde hij het uit van de pijn. Uiteindelijk overleed Johnson op zevenentwintigjarige leeftijd en werd zo het eerste lid van de 27 club, waar later grote artiesten als Jimi Hendrix en Amy Winehouse bij aansloten.
Ondanks zijn korte leven en het gelimiteerde aanbod aan uitgebrachte nummers, heeft Johnsons muziek veel invloed gehad op the blues en rock-‘n-roll. Grote artiesten als Bob Dylan, Robert Plant en Johnny Winter beweren dan ook dat hun muziek sterk beïnvloed is door Johnsons teksten en gitaarspel. ‘Robert Johnson to me is the most important blues musician who ever lived’, aldus de Britse muzikant Eric Clapton. Of de duivel Johnsons leven wel of niet beheerste blijft een mysterie. Toch kan er met zekerheid gezegd worden dat zijn geest vandaag de dag nog blijft doorleven in de muziek: of de duivel dat nou wil of niet.
