Schoonheid als yin en yang

Tekst /// Dominique Seelen Beeld /// Alicia Koch

In de trein op weg naar mijn college, keek ik peinzend voor me uit. Mijn mobiel was bijna leeg en mijn oortjes was ik vergeten. Omdat de ideeënvergadering met de redactie al snel naderde, had ik niet veel tijd meer om te peinzen over een geschikt onderwerp voor mijn artikel. Er was dus geen ontkomen meer aan: nu moest ik bedenken welk idee over schoonheid ik ging voorleggen. Terwijl ik nadacht over verschillende vormen van schoonheid – schoonheid in de natuur, fysieke schoonheid, enzovoort – realiseerde ik me opeens dat deze verschillende soorten schoonheid bijna altijd verbonden zijn met niet-schoonheid. Is het namelijk niet zo dat we de warmte van de zon kunnen ervaren omdat we ook weten hoe het is om de kou van de wind te voelen? Om dit idee verder uit te werken had ik bedacht het toe te spitsen op de praktijk. Het uitgangspunt: een doordeweekse dag uit mijn leven. 

Is het namelijk niet zo dat we de warmte van de zon kunnen ervaren omdat we ook weten hoe het is om de kou van de wind te voelen?

Wanneer tijdens de ochtendspits in de trein wordt omgeroepen: ‘Dit is station Amsterdam Centraal’, snellen de passagiers als gekken naar de uitgang om als eerste aan de drukte te kunnen ontsnappen. Ja, ook ik behoor tot deze groep. Maar vandaag ging het anders: ik stond niet vooraan, maar had wel haast. Dicht bij de deur stond rechts van mij een oude man met een gebochelde rug, indringende lichaamsgeur en versleten kleding. Even overwoog ik de man op slinkse wijze via links in te halen, maar precies op dat moment maakte de man een vriendelijk gebaar dat ik eerst mocht uitstappen. Ik was verrast en bedankte de man. Op de trap naar beneden realiseerde ik me dat de verwaarloosde en onverzorgde fysieke en zijn galante en vriendelijke gebaar als twee verschillende delen samen deze man maakten tot wie hij was. Er was een verbinding tussen zijn externe niet-schoonheid en interne schoonheid. 

Na de drukke stationshal ontvlucht te zijn, liep ik vanuit CS richting Oudemanhuispoort. In een poging niet van mijn sokken gereden te worden door fietsers, maakte ik een soort slalom tussen de neergekwakte vuilniszakken. Opeens ving ik tussen al het vuilnis een glimp op van een prachtig figuur. Gehuld in rood en licht schommelend door de wind leunde hij daar nonchalant tegen de muur. Van achter liep ik naar hem toe, ik draaide mijn hoofd en werd op slag verliefd… Tegen de gevel groeide een prachtige plant met zijdezachte bloemblaadjes en een frisgroene steel. Omringd door vuilniszakken, werd de zoete odeur van deze roos echter verdrongen door de stank van rotte vis. Maar toch leek de roos zich te verzetten tegen het kwaad aan zijn voeten, en vervolgde hij moedig zijn pad op weg naar de nok van het huis. Voor mij symboliseerde dit beeld de mooiheid van de natuur die in relatie met de viezigheid van menselijke productie stond door het schrille contrast dat ze vormden. 

Weer terug in de trein op weg naar huis bedacht ik me dat het ook in de kunst vaak draait om het contrast tussen mooi en lelijk. Denk bijvoorbeeld aan Karel Appel, die op brute wijze verf op zijn doeken ‘kwakte’ als een soort instinctieve daad. Er zijn mensen die stellen dat dit een ‘lelijke’ vorm van kunst is: de verf zit er in klodders op en de geraffineerdheid van bijvoorbeeld een pentekening is ver te zoeken. Aan de andere kant drukt deze ruwe en wellicht ‘lelijke’ manier van schilderen ook een soort natuurlijke schoonheid uit: de verf spreekt voor zich en de energie van het ‘gooien’ met de verf spat (letterlijk) van het doek. Meningen over een bepaald kunstwerk (‘het is mooi’ of ‘het ik weerzinwekkend’) vormen een contrast met elkaar, maar toch staan ze in verbinding omdat ze gericht zijn op hetzelfde beeld. 

Een absolute vorm van schoonheid is lastig vast te stellen – het is immers subjectief of je iets mooi vindt of niet – maar door het bestaan van lelijkheid kunnen we schoonheid wel benoemen, en andersom

Zo vormde een dag uit mijn leven de basis voor de bevestiging van het idee dat schoonheid en mooiheid onlosmakelijk verbonden zijn met lelijkheid en viezigheid. Deze verbintenis is zoals yin verbonden is met yang – hoe cliché dat ook mag klinken. Het zijn twee tegenpolen die in relatie met elkaar staan door het contrast dat ze vormen en waarbij ze elkaars (niet-)schoonheid des te meer benadrukken. Het yin en yang teken houdt daarnaast ook in dat deze tegengestelden niet los van elkaar als absolute fenomenen kunnen bestaan. Dit betekent bijvoorbeeld dat we warmte (yin) pas kunnen ervaren wanneer we kou (yang) ook kennen. Dit principe kan naar mijn mening ook toegepast worden op schoonheid. Een absolute vorm van schoonheid is lastig vast te stellen – het is immers subjectief of je iets mooi vindt of niet – maar door het bestaan van lelijkheid kunnen we schoonheid wel benoemen, en andersom. Kunnen we hieruit eigenlijk niet concluderen dat lelijkheid ook mooi is omdat het de voorwaarde is voor het bestaan van schoonheid?

Plaats een reactie