Een definitie van ‘camp’

Tekst /// Lucas Gortemaker         Beeld /// Winonah van den Bosch 

Voor de rubriek ‘In de geest van’ onderzoeken onze redacteuren elke maand het gedachtegoed en leven van een opvallende geesteswetenschapper. Deze maand zoekt Lucas naar een definitie van camp met hulp van het gedachtegoed van Susan Sontag.

Op de grafstenen op cimetière du Montparnasse prijken nogal wat namen van bekende mensen. In het centrum van de begraafplaats, op een statige steen, die van ex-president Jacques Chirac. Even verderop die van Serge Gainsbourg, de muzikant die over zijn herinneringen aan een chanson over dode bladeren zong, en bij wie nog altijd van alles wordt achtergelaten. Verder liggen er de stoffelijke overschotten van het echtpaar Sartre-de Beauvoir, schrijvers Marguerite Duras en Samuel Beckett, André Citroen (of Citroën), dadaïst Man Ray, beeldhouwer Ossip Zadkine, de schaker met de moeilijke naam naar wie de 1.e4 paard f6 opening is vernoemd, enzovoort. Op een zomerdag die al aanvoelde als een herfstdag, was ik op zoek naar Susan Sontag, een denker die mij instinctief aansprak. In divisie 2, sectie 2, 1 oost, 28 noord trof ik een smaakvolle zwarte gladde steen waarin haar naam met de jaartallen 1933 en 2004 stond gebeiteld. Ze stierf in New York aan de zeldzame en slepende ziekte myelodysplasie, die zich ontwikkelde tot leukemie. Haar zoon David Rieff nam zijn moeder mee op een laatste vlucht naar Parijs, een reis die ze tijdens haar leven zo graag maakte.

Later die dag vond ik in boekhandel Yvon Lambert – tussen een fotoboek met natuurpolaroids van Robby Müller en een handleiding voor het stelen van boeken – een mini-heruitgave van Penguin van een essay dat Sontag in de jaren ’60 van de vorige eeuw schreef. Een dun mintgroen boekje dat volgens zichzelf slechts een Engelse pond kost en de titel Notes on camp (1964) draagt. Omdat ik dit boekje uiteraard niet kon laten liggen, nam ik het mee naar een dichtbijgelegen café. Daar bestelde ik een kop cappuccino en slurpte ik de complexe cultuurkritiek naar binnen. In het essay zet Sontag in achtenvijftig schijnbaar heldere punten de tot dan toe ongrijpbare sensibiliteit camp uiteen. Hiertoe was destijds, volgens de inleiding, niet meer dan een halfslachtige poging gedaan door een zekere Brit. Sontag schrijft dat het een vereiste is om door een sensibiliteit zowel te worden aangetrokken als te worden afgestoten, wil men deze kunnen benoemen en gedegen definiëren. Bij camp – wat zij zelf overigens met een hoofdletter schrijft – was dit voor haar het geval. Hier volgt mijn lezing van haar lezing.

Camp kan worden omschreven als een vrije en gedepolitiseerde manier om de wereld te zien als een esthetisch verschijnsel. Daarnaast is het een eigenschap die te ontwaren valt in onder meer films, kleding, meubels, popsongs, boeken, mensen en gebouwen. Camp als kunstvorm is veelal decoratief en beklemtoont de textuur, oppervlakte en stijl ten koste van de inhoud. Concertmuziek is hoogstzelden camp, omdat camp wegens haar inhoudsloosheid geen contrast kan vormen tussen onbenullige inhoud en weelderige vorm. Soms kan iets te belangrijk zijn om voor camp door te gaan: de opera’s van Strauss zijn bijvoorbeeld camp, maar die van Wagner absoluut niet. Natuur is natuurlijk nooit camp, want camp is stedelijk en veronachtzaamt de natuur misschien zelfs. Ook plaatst camp alles tussen aanhalingstekens. Dit is geen artikel, maar een ‘artikel’.

Een wezenlijk onderscheid dat gemaakt dient te worden is dat tussen naïeve en opzettelijke camp. Pure camp is bloedserieus. Zelfbewuste camp is daarentegen een stuk minder interessant en misschien zelfs vervelend. Hoewel mislukte ernst een essentieel element van pure, naïeve camp vormt, betekent dat niet automatisch dat alle mislukkingen die aanvankelijk serieus bedoeld waren de kwalificatie camp verdienen. Hiervoor is een bon mélange van overdaad, grandeur, hartstocht en vrijmoedigheid onontbeerlijk. Soms is iets gewoonweg slecht, doordat de maker middelmatige aspiraties aan de dag legde en er niet voldoende naar streefde iets buitenissigs te bewerkstelligen. Camp heeft overigens niet de intentie om te beredeneren dat wat slecht is eigenlijk goed is of andersom: het verschaft ons uitsluitend een extra manier om naar de dingen om ons heen te kijken.

Sontag had mij een bril opgezet, met aangepaste glazen en een nogal excentriek montuur

Tijd en homoseksualiteit spelen ook een rol. Tijd bevrijdt een kunstwerk van morele relevantie. Daardoor verdwijnt eventuele verontwaardiging over een werk en ontstaat er een afstand vanaf waar het kunstwerk alsnog kan worden bewonderd. Tijd kan een werk zelfs ontdoen van haar banaliteit: wat eens alledaags was, kan ooit fantastisch geacht worden. Homoseksuelen waren de allereerste omarmers van camp en kunnen gezien worden als dandy’s in het tijdperk van massacultuur. Maar de stank waarvoor een klassieke dandy doorgaans zijn neus opgehaald zou hebben, ademde de connaisseur van camp extra diep in. Camp is gebaseerd op het hebben van plezier en de ontdekking dat hoge cultuur geen monopolie bezit op het fijnere onderscheid. Het ultieme statement over camp, waarmee Sontag haar betoog besloot, is dat iets goed is omdat het verschrikkelijk is.

Hoewel het essay qua leeftijd mijn moeder had kunnen zijn en ik de voorbeelden die erin gegeven werden daarom niet volledig kon thuisbrengen, begon mij langzaam iets te dagen. Sontag had mij een bril opgezet, met aangepaste glazen en een nogal excentriek montuur. Het café waar ik mijn boekje zat te lezen, de latte art in mijn inmiddels koud geworden cappuccino, de in Parijs alom vertegenwoordigde art nouveau, de gietijzeren orchidee-stengels boven de ingang van de metro, de doorzichtige poubelle waarin ik mijn natgeregende schoenen had weggesmeten…. De geblondeerde haren van mijn reisgenoot, het Zwanenmeer, Ronnie Flex, Remco Campert… Voordat het mij volledig begon te duizelen, schoot het derde punt van het essay me gelukkig weer te binnen, waarin Sontag opmerkte dat niet alles als camp kan worden aangemerkt. Want nee, it’s not all in the eye of the beholder.

De publicatie van Notes on camp katapulteerde de naam Susan Sontag in letterkundige kringen. Ook tegenwoordig duikt haar naam af en toe op. Vorige week vond ik bijvoorbeeld bij de uitverkoop van een Brusselse bibliotheek een Nederlandse vertaling van haar essay On photography (1977). Daaraan begin ik na voldoende tijd om het vorige te verwerken.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s